Een met de natuur
De vele kleine harde zandkorreltjes, worden zacht wanneer ik ze door mijn handen heen laat glijden. Het natte zand aan de waterkant is mul, zwaar, ruikt naar vochtige steen. Mijn handen scheppen, maken een zuigend geluid. Kiezelsteentjes wit, grijs, geel, rood glanzen in de zon. Het water stroomt in het verse kuiltje, draait een rondje en stroomt terug naar het grote water. Wat een boel visjes en krioelende diertjes in het water. Daar loopt er eentje met lange dunne pootjes óp het water! De warme zon brandt op mijn ruggetje. Met mijn voeten en handen in het koele water is het goed. Dit moment is eeuwig…. Dan hoor ik een brommend geluid. Als ik opkijk, voel ik een vlaagje wind in mijn gezicht en door mijn haar. Ik zie de blauwe glinstering van de keizerlibel, die even stil hangt in de lucht met zijn dubbeldekkervleugels. Wat heeft hij grote ogen. Mijn hart klopt van opwinding. Hij is zo groot en zo dichtbij. “Een leliebel” roep ik opgetogen naar de andere kinderen. De libel schrikt misschien van mijn roep en vliegt luid brommend verderop. Ik begrijp niet waarom de kinderen zo hard lachen. Hij is zo mooi en was eventjes zo dichtbij….
